Op 25 mei 2016 promoveerde Lieke Kamphuis op haar onderzoek naar sarcoïdose. In haar proefschrift beschrijft zij dat -gezien de mogelijke complexiteit en uitgebreidheid van de ziekte- een multidisciplinaire aanpak is vereist van specialisten van meerdere vakgebieden. De titel van het proefschrift  ‘The Many Faces of Sarcoidosis’ (de vele gezichten van sarcoïdose) benadrukt dit nogmaals. Dit promotietraject heeft er mede toe bijgedragen dat in 2012 het Erasmus MC Sarcoïdosecentrum geopend is door (toenmalig) Kroonprins Willem-Alexander.

Samenvatting proefschrift  ‘The Many Faces of Sarcoidosis’

Onderzoek naar onbekende feiten over sarcoïdose
Sarcoïdose is een ziekte van het afweersysteem waarbij alle organen aangedaan kunnen zijn. Tot op heden is het niet bekend hoe deze ziekte ontstaat, wat de beste methode is om de ziekte en de uitgebreidheid ervan vast te kunnen stellen en wat de beste behandeling voor patiënten met sarcoïdose is. Dit alles maakt sarcoïdose een interessante aandoening voor wetenschappelijk onderzoek. Het beschreven onderzoek in dit proefschrift is verricht in het Erasmus MC te Rotterdam op de afdeling Klinische Immunologie en heeft als doel om bij te dragen aan alle van de hiervoor genoemde punten.


Promotie Lieke Kamphuis

B-cel speelt een rol in ontstaan granulomen
Granulomen zijn ophopingen van afweercellen en het belangrijkste kenmerk van de ziekte sarcoïdose. Tot op heden wordt aangenomen dat iets van buitenaf, bijvoorbeeld fijne stofdeeltjes, een reactie teweeg brengt in het lichaam en in het afweersysteem, wat er toe leidt dat er granulomen gevormd worden. In dit proefschrift is voor het eerst aangetoond dat de B-cel, een soort afweercel, een belangrijke rol lijkt te spelen in het ontstaan van de granulomen bij sarcoïdose. Dit biedt dan ook mogelijkheden voor nieuwe behandelingen bij sarcoïdose die zich specifiek richten op de B-cel. Het is bekend dat de B-cel een belangrijke rol speelt in het specifieke afweersysteem (het opbouwen van geheugen en het creëren van immuniteit). B-cellen zijn verminderd aantoonbaar in het bloed van patiënten met sarcoïdose. Wat hier de betekenis van is, is nog onduidelijk. Wel is gebleken dat de vaccinatierespons (waar de B-cel belangrijk bij is) ongestoord is.


Onderzoek naar effect vitamine D op sarcoïdose
Niet alle patiënten met sarcoïdose hebben een behandeling nodig. Ongeveer 60% van de patiënten zal zonder behandeling herstellen binnen 2 tot 5 jaar. Doordat de oorzaak van sarcoïdose nog niet bekend is, bestaat er nog geen geneesmiddel waarmee sarcoïdose specifiek behandeld kan worden. De behandeling van sarcoïdose bestaat momenteel uit het bestrijden van symptomen en/of het onderdrukken van de ontstekingsactiviteit. Deze behandeling gebeurt door middelen zoals NSAID’s, pijnstillers waar geen corticosteroïden inzitten of corticosteroïden.

Corticosteroïden (o.a. prednison) kunnen vervelende bijwerkingen hebben zoals gewichtstoename, botontkalking en suikerziekte. Indien een patiënt gedurende een lange periode (meer dan 3 maanden) met corticosteroïden wordt behandeld, dient er naast de corticosteroïden ook gestart te worden met calcium en vitamine D tabletten. Dit om het ontstaan van botontkalking tegen te gaan. Een kanttekening hierbij is dat patiënten met sarcoïdose zich soms kunnen presenteren met een hoog gehalte van het calcium en vitamine D in het bloed, wat op hun beurt schadelijk is voor de patiënt en behandeld dient te worden.

Onderzoek in het Erasmus MC heeft aangetoond dat indien er op het moment van starten van de calcium en vitamine D tabletten geen sprake is van een verhoogd calcium of vitamine D gehalte, dit veilig aan de patiënt gegeven kan worden. Daarnaast wordt er geconcludeerd dat patiënten met een laag gehalte van het vitamine D in het bloed meer ziekteactiviteit hebben van de sarcoïdose. Dit maakt het daarom interessant om patiënten met sarcoïdose die een laag gehalte van vitamine D in het bloed hebben, te suppleren met vitamine D om zo de ziekteactiviteit van de sarcoïdose te verminderen. Helaas is er nog wel meer onderzoek nodig om dit ook te kunnen bevestigen.


Goed scoringssysteem ziekteactiviteit vereist

De granulomen die bij sarcoïdose ontstaan maken vele ontstekingsstoffen, dit worden ook wel cytokines genoemd. TNF-α is waarschijnlijk het meest belangrijke cytokine bij sarcoïdose. Dit cytokine kan geremd worden door TNF-α-remmers. Momenteel zijn er vier TNF-α-remmers beschikbaar; infliximab (Remicade), adalimumab (Humira), golimumab (Simponi) en etanercept (Enbrel). Infliximab (waarvan de meest gepubliceerde resultaten zijn) en adalimumab laten goede resultaten zien bij de behandeling van sarcoïdose, maar er zijn helaas maar weinig klinische onderzoeken verricht. Uit beperkt onderzoek blijkt dat etanercept geen effect heeft op de ziekteactiviteit van sarcoïdose. En ook voor golimumab is nauwelijks bewijs dat het effectief is in de behandeling van sarcoïdose.

In het Erasmus MC is een kleine studie verricht naar de werking van adalimumab bij vijf moeilijk behandelbare patiënten met sarcoïdose. De uitkomsten van deze studie werden bekeken na een behandelperiode van 12 weken en zijn hoopgevend. Bij alle behandelde patiënten nam de vermoeidheid af, verdwenen dan wel verminderen de huidafwijkingen en toonden de uitslagen van het bloed en de scans een significante verbetering dan voor het starten van de behandeling.

Voor de nieuwste medicamenteuze behandelingen blijven patiënten met sarcoïdose vooralsnog grotendeels afhankelijk van studies bij vaker voorkomende ziektes, zoals psoriasis en reumatoïde artritis. Dit zijn net zoals sarcoïdose ook ontstekingsziekten, echter hebben meer patiënten deze ziekten waardoor klinisch geneesmiddelenonderzoek makkelijker verricht kan worden bij deze patiëntengroep.

Bij sarcoïdose speelt daarnaast ook het probleem dat de activiteit van ziekte niet goed gedefinieerd is. Goede scoringssystemen voor de ziekteactiviteit zijn essentieel voor een geneesmiddelenonderzoek, zo ook bij sarcoïdose. Ook hiervoor is aandacht geweest in dit proefschrift. Het blijkt dat de somatostatine receptor scan (SMS-scan) een goede methode is om lokalisaties van de sarcoïdose aan te tonen en om de ernst van de ziekteactiviteit in kaart te brengen. Bij de SMS-scan wordt er een speciale contrastvloeistof in het lichaam van de patiënt gespoten waarna er 24 uur later een scan gemaakt kan worden. Dit alles gebeurt op de afdeling Nucleaire Geneeskunde. De contrastvloeistof heeft dan voldoende tijd gehad om zich te verspreiden door het lichaam en vast te hechten aan de granulomen. Deze granulomen worden daarna zichtbaar op de SMS-scan. Tevens is uit dit onderzoek met de SMS-scan gebleken dat het mogelijk is dat een patiënt een normale röntgenfoto en/of een normale CT-scan van de longen kan hebben, maar dat de SMS-scan wel afwijkend is in de longen en er dus wel sprake zou kunnen zijn van sarcoïdose.