... / ... / Over MS / Diagnose

Diagnose

Bij MS kunnen veel verschillende klachten en symptomen optreden. Veel klachten zijn niet specifiek voor MS en kunnen ook bij andere aandoeningen voorkomen. De diagnose MS kan pas gesteld worden als andere oorzaken voor de klachten zijn uitgesloten. Er zijn op dit moment nog geen laboratoriumtesten waarmee MS aangetoond kan worden. Om de diagnose MS te stellen (en eventuele andere ziekten uit te sluiten), is naast de anamnese (het verhaal) en het lichamelijk onderzoek ook nog aanvullend onderzoek nodig. Dit zal veelal bestaan uit bloedonderzoek en MRI-onderzoek van de hersenen en/of het ruggenmerg. Vaak zijn ook een ruggenprik en onderzoek van de ogen (visual evoked potential (VEP)) noodzakelijk.

MRI

MRI (magnetic resonance imaging) van de hersenen en het ruggenmerg is een veelgebruikt hulpmiddel om de diagnose MS te kunnen stellen. Ontstekingen en littekenweefsel die veroorzaakt worden door MS kunnen met MRI duidelijk zichtbaar gemaakt worden. Soms wordt voor het maken van een MRI contrast vloeistof geïnjecteerd. Deze vloeistof wordt opgenomen in de gebieden met een recent ontstane, actieve ontsteking, waardoor deze makkelijker te onderscheiden zijn.

 

 

MRI zonder (links) en met contrast. De heldere witte vlekken zijn ontstekingen

MRI is een belangrijk hulpmiddel in het stellen van de diagnose MS. Er zijn echter verschillende ziekten die op een MRI erg veel lijken op het beeld dat ook bij MS gevonden wordt. Daarom zijn vaak aanvullende testen nodig om een uiteindelijke diagnose te kunnen stellen.

Ruggenprik

Bij een ruggenprik of lumbaalpunctie wordt een kleine hoeveelheid hersenvocht afgenomen. Dit vocht bevindt zich rond de hersenen en het ruggenmerg en wordt door middel van een dunne naald laag in de rug afgenomen. Het afgenomen hersenvocht wordt in het laboratorium onderzocht op de aanwezigheid van eiwitten die wijzen op een ontstekingsreactie.

Visual evoked potential

Bij patiënten met MS raken zenuwen beschadigd, waardoor deze signalen van en naar de hersenen minder snel door kunnen geven. Een makkelijke methode om de snelheid van het doorgeven van signalen te meten is visual evoked potential (VEP). Hierbij wordt gemeten hoe snel signalen door de oogzenuw aan de hersenen doorgegeven worden, door middel van electroden die op het hoofd geplakt worden.