... / ... / ... / Welke aandoeningen zijn er? / Beenafwijkingen

Beenafwijkingen

BEENLENGTEVERSCHIL
Een beenlengte verschil betekent dat het ene been korter is dan het andere of dat het ene been langer is dan het andere. Een beenlengteverschil kan verschillende oorzaken hebben. De oorzaak kan aangeboren zijn of tijdens de groei ontstaan door bijvoorbeeld een ongeluk (trauma) of een infectie van de groeischijf. Een beenlengteverschil tot 2 centimeter wordt beschouwd als een normale variatie die  in de bevolking voorkomt. Meestal geeft dit geringe beenlengteverschil geen klachten en is er geen risico op het krijgen van een heupafwijking of rugklachten.

Bij de aangeboren afwijkingen zijn de volgende oorzaken voor een beenlengteverschil mogelijk:
- Het  congenitaal (aangeboren) kort dijbeen (congenital short femur),
- Het onderontwikkelde kuitbeen (fibuladeficiëntie of fibula aplasie),
- Het kleiner gevormde been (hypoplasie)
- of het groter gevormde been (hyperplasie).
Soms is de oorzaak onbekend.

Als het beenlengteverschil klachten geeft of als uw kind een scheefstand heeft van de rug door dit beenlengteverschil, kan de arts dit corrigeren door een schoenverhoging.
Als het beenlengteverschil zo groot is of gedurende de groei toeneemt, dan kan de arts samen met u een behandelplan opstellen. Soms is een groeiremming van het lange been, vlak voor het einde van de groei, voldoende. Soms is een beenverlenging nodig.
Een groeiremming van het lange been wordt gedaan door de groeischijven rond de knie chirurgisch te beschadigen (epifysiodese). Hierdoor dragen deze groeischijven niet meer bij aan de resterende groei. Het lange been groeit vanaf dat moment dus langzamer dan het korte been. De kinderorthopaed rekent aan de hand van groeitabellen of –grafieken uit wanneer de groeiremming het beste kan plaatsvinden om aan het einde van de groei gelijke lengte van de benen te krijgen.

BEENVERLENGING
Als het beenlengteverschil te groot is of wordt dan kan ook een beenverlenging plaatsvinden. Dit wordt gedaan door het been door te zagen en het plaatsen van een uitwendige stellage (fixateur externe). Deze stellage wordt door middel van pinnen in het bot gefixeerd. Afhankelijk van de afwijking zal de kinderorthopaed een keuze maken tussen de verschillende stellages. De arts kan gebruik maken van een ringfixateur (bijvoorbeeld het Taylor Spatial Frame® of Ilizarov) of een fixateur die maar aan één kant van het been zit (unilaterale fixateur externe zoals bijvoorbeeld het Limb Reconstruction System®). Met deze stellage kan de arts het been verlengen.