Specifieke behandelingen voor Craniofaciale patiënten

De term 'craniofaciale afwijking' is een verzamelnaam voor verschillende soorten complexe, vaak zeldzame, schedel- en aangezichtsafwijkingen. Het is daarom moeilijk om voor al die verschillende soorten afwijkingen op een duidelijke manier aan te geven hoe een orthodontische behandeling kan en moet verlopen. Om toch een beter beeld te kunnen geven van een behandeling op de afdeling Orthodontie van het Erasmus MC-Sophia Kinderziekenhuis, staat hier per door ons veel behandelde craniofaciale afwijking wat specifiekere informatie over de toepassing van verschillende beugelbehandelingen.

Hemifaciale microsomie

Kinderen met hemifaciale microsomie hebben aan één zijde van het gezicht een scheve onderkaak en een afwijkend oor, wat ook de groei van de bovenkaak beïnvloedt. Bij deze afwijking is het dus vooral van belang om de groei van de kaakstand te sturen of te corrigeren. Hiervoor wordt uitneembare beugel ingezet, ook wel activator genoemd, die bestaat uit een boven- en een onderbeugel die aan elkaar verbonden zijn. De behandeling start vaak al op vier of vijfjarige leeftijd wanneer de kinderen volop in de groei zijn. In sommige gevallen volstaat alleen een behandeling met een activator niet om de kaakstand de corrigeren, en moeten de kaken operatief gecorrigeerd worden. In die gevallen wordt vaak ook een vaste beugel, ook wel een slotjesbeugel, ingezet om de stand van de tanden en kiezen te corrigeren, zodat de boven- en onderkaak na de operatie goed in elkaar 'grijpen'.


Treacher Collins

Het Treacher Collins syndroom is een zeer zeldzame gelaatsaandoening die niet alleen een vervorming van de kaken tot gevolg heeft, maar ook een afwijkende, voor de ziekte karakteristieke vorm van de jukbeenderen, neusvleugelkraakbeen, het gehemelte en de oorschelpen tot gevolg heeft. De behandeling van deze patiënten is dan ook bijzonder intensief en, logischerwijs, multidisciplinair. De orthodontische behandeling van patiënten met Treacher Collins is vaak gericht op de correctie van de voor deze afwijking specifieke onderontwikkelde onderkaak, de tanden die onregelmatig staan en een open beet. Hierdoor kunnen de voortanden van de beide kaken elkaar niet raken, waardoor de kinderen vaal moeite hebben met afbijten. De orthodontische behandeling is vaak, net als de afwijkingen, complex en is vaak een combinatie van beugelbehandelingen en chirurgische ingrepen.

Craniosynostose syndromen

Bij kinderen met craniosynostose syndromen kan de groei van de bovenkaak of het middengezicht gestoord zijn. Dit kan bijvoorbeeld tot gevolg hebben dat de bovenkaak of het middengezicht te smal is of te ver naar achteren ligt. De gevolgen hiervan zijn verstrekkend, want vaak komen door de gestoorde groei bepaalde gebitselementen te laat of niet door omdat er te weinig ruimte is, of moeten er gebitselementen verwijderd worden om ruimte te creëren en zo verdere problemen of verergering van de vergroeiing te voorkomen. Wanneer de vergroeiingen ook oog- of ademhalingsproblemen veroorzaken wordt er vaak voor gekozen om al op jonge leeftijd chirurgisch in te grijpen, vaak in combinatie met technieken die de bovenkaak of botweefsel in het aangezicht over een langere periode verlengen of verbreden (distractie-osteogenese). In deze gevallen wordt er door de afdeling orthodontie een specifieke vaste beugel ontwikkeld en geplaatst om de kaken en het gebit voor te bereiden op de operatie of het resultaat van de operatie te borgen of te sturen. Bij kinderen met cranio-frontonasale dysplasie bijvoorbeeld, wordt voor een operatie waarbij de chirurg de oogkassen naar elkaar toe brengt en de boven kaak iets verbreedt, een vaste beugel geplaatst om de voortanden iets uit elkaar te brengen. 

Hoe grondig en complex de behandeling op jonge leeftijd ook wordt uitgevoerd, patiënten met craniosynostosessyndromen worden na het doorbreken van het blijvende gebit altijd opnieuw beoordeeld worden om te kijken of de boven- en onderkaak zich na de behandeling op de juiste manier ontwikkeld hebben. Naar aanleiding van die beoordeling wordt vaak bepaald welke orthodontische behandeling en operatie(s) er vanaf dat moment noodzakelijk zijn.


Teleorbitisme

De afdeling orthodontie is vaak ook betrokken bij de behandeling van kinderen met te ver uit elkaar staande oogkassen, ook wel teleorbitisme genoemd. De primaire focus van de behandeling ligt uiteraard op het corrigeren of reconstrueren van de afwijkende stand van oogkassen, maar omdat teleorbitisme vaak gepaard gaat met andere aangezichtsafwijkingen en afwijkende groei en ontwikkeling van het gebit, komen deze kinderen vaak ook onder behandeling van de afdeling orthodontie. Vaak hebben deze kinderen een extra tand in de bovenkaak die moet worden weggehaald, voordat de gebitsontwikkeling hierdoor verstoord raakt.


Aangezichtsspleten

Aangezichtsspleten zijn zeldzaam en komen naar schatting bij één op de 150.000 geboorten voor. Vaak gaat het om een spleet in de bovenkaak en de behandeling start vaak met het opereren van de huid. Daarna wordt bepaald op welk moment de tanden aan weerszijden van de van de spleet weer netjes in een rij gezet kunnen worden. Het tijdstip van de operatie kan sterk wisselen, juist omdat de variatie tussen patiënten groot is. De manier waarop een orthodontische behandeling wordt toegepast is daarom ook per patiënt zo verschillend, dat het moeilijk is om een eenduidig beeld te schetsen van 'het' behandelingsplan bij deze afwijking.