Dak- en thuislozen

Palliatieve zorg voor ernstig zieke dak- en thuislozen is nog verre van optimaal. Vaak wordt pas laat in een ziekteproces palliatieve zorg geboden, en soms ontbreekt goede palliatieve zorg geheel. Het gaat om mensen met multidimensionele problematiek, zoals verslaving en verstandelijke beperkingen, die vaak ernstig zorg mijdend gedrag vertonen. Daarnaast hebben de betreffende hulpverleners (bijv. GGD-medewerkers, Leger des Heils, maatschappelijke opvang, bemoeizorgteams e.d.) vaak weinig kennis van palliatieve zorg.

Binnen dit project wordt daarom vanuit twee Consortia Palliatieve Zorg een consultatiefunctie voor hulpverleners van dak- en thuislozen vanuit hospicevoorzieningen ontwikkeld en uitgevoerd. Uiteindelijk doel is ervoor zorgen dat dak- en thuislozen tijdig, zoveel mogelijk in een vertrouwde omgeving, adequate palliatieve zorg ontvangen. Omdat er nog weinig bekend is over palliatieve zorg voor dak- en thuislozen in Nederland is het belangrijk om allereerst (fase 1) meer kennis te ontwikkelen over de kenmerken en zorgbehoeften van dak- en thuislozen in de laatste levensfase en over de zorg die zij ontvangen, en de knelpunten die daarbij optreden. Deze aanvraag betreft deze eerste fase van het project.

Fase 1 zal bestaan uit verschillende onderdelen:
(a) een internationale literatuurstudie. 
In de internationale én Nederlandse literatuur wordt gekeken naar bestaande kennis en inzichten over kenmerken van ongeneeslijk zieke dak- en thuislozen, zorgbehoeften, ontvangen zorg, knelpunten in de zorg en consultatieve voorzieningen en andere interventies op het gebied van palliatieve zorg voor deze doelgroep; door middel van systematische searches (PUBMED, EMBASE, CINAHL), vrije internet searches en navraag bij experts (om ook relevante ‘grijze’ literatuur te vinden). Op basis van de literatuurstudie wordt een eerste overzicht gemaakt van:
 (1) behoefte aan palliatieve zorg door dak- en thuislozen en de huidige praktijk en  
 (2) interventies die in aanmerking zouden kunnen komen voor opname in de toekomstige consultatiefunctie.

(b) analyses van gegevens over de laatste levensfase uit bestaande cohorten van dak- en thuislozen. 
Dit betreft een beschrijvende analyse van de kenmerken van dak- en thuislozen in de laatste levensfase, over de zorg die zij ontvangen, en de eventuele knelpunten die hierbij optreden, op basis van gegevens uit een aantal lopende cohorten. Een cohort van 265 overleden Rotterdamse daklozen zal worden gekoppeld met CBS-doodsoorzaken. Vervolgens zal dit gekoppelde cohort wat betreft doodsoorzaken vergeleken worden met de sterfte onder Rotterdammers. Ook analyseren we data uit het CODA-G4 cohort, dat 378 daklozen betreft die aanmeldden bij de maatschappelijke opvang in de vier grote steden. Binnen dit cohort zullen analyses gedaan worden bij een selectie van daklozen die mogelijk palliatieve zorg hebben (o.a. op basis van diagnose en leeftijd). Er zal gekeken worden naar achtergrondkenmerken, lichamelijke en psychische gezondheid, kwaliteit van leven, alsmede naar hun ervaringen met zorg, zorgbehoeftes en zorggebruik.

(c) dossieronderzoek naar zorg in de laatste levensfase in instellingen voor opvang van dak- en thuislozen. 
Dit betreft een analyse van de medische dossiers van daklozen die zijn overleden in instellingen met verpleegbedden voor opvang voor daklozen van de laatste 15 jaar, namelijk Havenzicht in Rotterdam, HVO Querido in Amsterdam en Kuria Amsterdam. Dit betreffen naar schatting 100 patiënten. Door middel van dossieronderzoek met behulp van een vooraf opgestelde checklist zal inzicht worden verkregen in de kenmerken van dak- en thuislozen in de laatste levensfase, over de zorg die zij ontvangen, en de eventuele knelpunten die hierbij optreden.

(d) een expertraadpleging op basis van a, b en c en gericht op de ontwikkeling van de consultatiefunctie. 
Om verdere input te krijgen voor de ontwikkeling van de consultatiefunctie, zullen drie focusgroepen gehouden worden met experts (o.a. cliëntvertegenwoordigers, palliatieve zorgexperts, zorgverleners van dak- en thuislozen van verschillende disciplines). In deze focusgroepen wordt de in fase a t/m c op gedane kennis voorgelegd aan de experts. Ook zal nagegaan worden in hoeverre zij bestaande werkwijzen geschikt vinden voor opname in de consultatiefunctie, zoals de werkwijze van medewerkers van Hospice Kuria die nu al regelmatig hulpverleners van dak- en thuislozen van het Leger des Heils en HVO Querido adviseren.

Op basis van het onderzoek in fase 1 (deze projectaanvraag) zal een aanvraag uitgewerkt worden voor de volgende fases van het project. Vooralsnog, maar afhankelijk van inzichten opgedaan in fase 1, zal deze vervolgaanvraag bestaan uit de volgende fases: het ontwikkelen van een draaiboek voor een interventie op basis van een consultatiefunctie (fase 2), een proefimplementatie en evaluatie (fase 3), en verdere verspreiding, implementatie en borging naar andere consortia en organisaties (fase 4).