... / ... / ... / Expertiseteam FTD / Diagnostiek

Diagnostiek

Frontotemporale dementie (FTD) is een vorm van dementie die veel voorkomt bij relatief jonge mensen (<65 jaar) en vaak niet of pas laat wordt herkend. Bij FTD staan veranderingen in het gedrag en/of veranderingen in de taalfuncties vaak op de voorgrond. De overlap van symptomen maken het lastig om onderscheid te maken met psychische of psychiatrische aandoeningen die op deze leeftijd vaker voorkomen, of met andere vormen van dementie.

De diagnostische fase richt zich op twee vragen:

  1. Is er sprake van dementie? 
  2. Zo ja, welke vorm van dementie speelt er?


Na de diagnostische onderzoeken (zie hieronder) vindt er in het Alzheimercentrum Erasmus MC een multidisciplinair overleg plaats, iedere patiënt wordt daarin besproken. Bij dit overleg zijn een neuroloog, geriater, psychiater, zorgconsulent, neuropsycholoog, radioloog en eventueel nucleair geneeskundige aanwezig. Tezamen wordt de meest waarschijnlijke diagnose gesteld en een plan gemaakt voor verdere diagnostiek of behandeling.

De diagnostische fase bestaat uit één of meer van de volgende onderzoeken:

  • Gesprek van patiënt met de arts (anamnese)
  • Gesprek van mantelzorger met de arts (hetero-anamnese)
  • Lichamelijk onderzoek
  • Bloedonderzoek
  • Neuropsychologisch onderzoek (NPO)
  • Gesprek met de zorgconsulent
  • Scan van de hersenen (meestal MRI scan)
  • Consult geriater of psychiater
  • Ruggenprik
  • PET-scan
  • Genetisch onderzoek
  • Overige onderzoeken


Anamnese: in een gesprek met de arts worden de belangrijkste klachten besproken en het beloop daarvan. Dit is een belangrijke eerste stap in het stellen van de diagnose. Symptomen die typisch zijn voor FTD (bijvoorbeeld gedrag- en/of taalproblemen) worden uitgevraagd, alsmede symptomen die meer typisch zijn voor andere vormen van dementie.
Hetero-anamnese: bij FTD komt het vaak voor dat de patiënt zelf weinig klachten ervaart, maar dat vooral de omgeving veranderingen in het gedrag bemerkt. Daarom is een gesprek tussen arts en mantelzorger essentieel in de diagnostiek.
Lichamelijk onderzoek: hierbij worden korte screeningstesten afgenomen en wordt de patiënt neurologisch onderzocht. Onder andere wordt gekeken naar tekenen die tezamen met FTD voor kunnen komen, zoals tekenen van ALS of Parkinson-achtige symptomen.
Bloedonderzoek: het bloedonderzoek wordt gebruikt om te kijken of er andere oorzaken of ziekten zijn die de klachten kunnen verklaren.
Neuropsychologische onderzoek: het neuropsychologisch onderzoek test de verschillende functies van het brein zoals geheugen, aandacht en taal. Aan de hand van het patroon van de afwijkingen in deze testen kan men de diagnose FTD meer of minder waarschijnlijk maken. Kenmerkend voor FTD zijn afwijkingen in testen die een beroep doen op de zogenaamde uitvoerende functies (bv. het doen van meerdere dingen tegelijkertijd, schakelen tussen bezigheden), taal en sociale cognitie (inleven in de emoties en gedachten van andere mensen).
Gesprek met zorgconsulent: de zorgconsulent brengt in kaart wat voor invloed de klachten op het dagelijks leven hebben en of er (aanvullende) (lokale) ondersteuning en zorg nodig is, bv. dagbesteding, casemanagement.
MRI-scan/CT-scan: met een scan van de hersenen worden andere oorzaken van de klachten uitgesloten en wordt gekeken naar verschrompeling van de hersenen. In FTD wordt er vooral verschrompeling van de voorste hersenkwab (frontaalkwab) en slaapkwab (temporaalkwab) gezien. In de vroegste fase van symptomen zijn er echter regelmatig nog geen afwijkingen te zien.
Consult geriater of psychiater: vaak beoordeelt de geriater de patiënt ook om onderliggende lichamelijk problemen en/of medicatiegebruik te bekijken. De psychiater wordt regelmatig gevraagd om mede te beoordelen of psychische componenten een invloed op de klachten kunnen hebben of voor een behandeladvies.
Ruggenprik: middels een ruggenprik kan hersenvocht verkregen worden. Doordat het hersenvocht laag in de rug wordt afgenomen, zijn hier nauwelijks risico’s aan verbonden. Het hersenvocht wordt onderzocht op tekenen van een infectie en op meetinstrumenten die de ziekte van Alzheimer (de symptomen van FTD kunnen hierop lijken ) meer of minder waarschijnlijk maken.
PET-scan: een PET-scan kijkt met behulp van een radioactieve stof naar de activiteit van de hersenen. Wanneer er nog geen afwijkingen in de structuur van de hersenen (die wordt bekeken met een MRI- of CT-scan) zichtbaar zijn, kan het zijn dat de activiteit van de hersenen al wel is verminderd. Bij FTD zijn ook op deze scan vooral de frontaal- en slaapkwab aangedaan.
Genetisch onderzoek: in het bloed kan ook DNA onderzocht worden op overerfbare factoren. Bij FTD zijn er meerdere genen bekend die de ziekte kunnen veroorzaken. Als er sprake is van een dergelijke overerving komt er vaak veel dementie en/of ALS in de familie voor.
Overige onderzoeken: op indicatie worden er soms andere onderzoeken ingezet. Bijvoorbeeld een spieronderzoek bij het vermoeden op ALS.